Vissoorten   

Veel vissers weten wel hoe bv. een paling of een karper eruitzien maar weten niet veel over hun levenswijze. Bedoeling is om via deze pagina op een eenvoudige en duidelijke manier de meest voorkomende vissoorten in ons belgenlandje voor te stellen. 

Voor we beginnen met een korte beschrijving van de meest courante soorten eerst een korte algemene beschrijving. Wat zijn nu vissen? Vissen zijn gewervelde dieren die leven in het water. Wereldwijd zijn er zo een 20.000 soorten waarvan ongeveer een 60% in zoet water leeft en 40% In zout water. In Europa is de grootste verscheidenheid aan soorten, zo'n 500, te vinden in het Donau-bekken. Dit lijkt veel, maar in het Amazone gebied leven er meer dan 1000 verschillende soorten. Er zijn vissen die leven in zout water maar zich toch voortplanten in zoet water zoals de zalm. Dit noemen we anadrome vissen. Het tegenovergestelde dan, vissen die leven in zoet water en zich voortplanten in zout water zoals paling, noemt men katadrome vissen. Als laatste zijn er nog de vissen die zich kunnen handhaven zowel in zoet als zout water. Er zijn soorten die die zich niet kunnen handhaven in stilstaaand water met hogere temperatuur zoals bv forel, karper daarentegen zal steeds het warmere water preferen. Kenmerkend voor vissen is dat ze geen ledematen hebben maar vinnen en een staart waarmee ze zich kunnen voortbewegen. Hun vorm gaat van slank, rond, plat tot onregelmatig zoals bv zeeduivel. Het zeepaardje is, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, wel degelijk een vis. Vissen ademen door middel van kieuwen, een geheel van kleine bloedvaten, die als het ware de zuurstof uit het water filteren. De huid kan schubben bevatten maar ook "aalglad" zijn. Ze beschikken over een slijmlaag die hen beschermd tegen bv ziekten. Veel vissen hebben een zijlijn die veranderingen in stroming waarneemt zoals weerkaatsing van golven bij hun verplaatsing maar hen ook kan verwittigen bij mogelijk gevaar. Het bestaat uit een kanaal die via zintuigcellen in verbinding staan met zenuwen. Ze verplaatsen zich door kroming van hun achterlichaam en staart. Omdat vissen beschikken over een zwemblaas, die bij veel soorten in verbinding staat met hun slokdarm, kunnen ze zich moeiteloos als het ware zwevend houden in het water naast het makkelijk verplaatsen van diepte. Vissen hebben naast een goed reukorgaan, smaakpapillen die niet alleen in hun bek voorkomen maar ook bv. in hun huid, baarddraden en vinnen. Het gehoor is bij vissen minder van belang alhoewel er toch soorten zijn die redelijk goed gehoor hebben zoals karpers. Vissen zijn sinds mensenheugenis van commercieel belang. 

 

aal of paling(anguilla anguilla) Een van de meest voorkomende vissoorten in onze wateren. Stelt weinig eisen aan het milieu. Men vindt deze vis dan ook van kust tot bovenloop van rivieren en beken terug. Ook in vijvers en meren langs rivieren en beken komt deze vis van nature voor. De aal is een katadrome vis, wat wil zeggen hij leeft in zoet water maar eenmaal geslachtsrijp zal deze vis gaan paaien in zout water. (Saragossa Zee) Na het uitkomen van de eitjes worden de jonge larven via zeestromingen wereldwijd verspreid. Tijdens deze opgelegde trek veranderen deze larven in glasaal. De laatste jaren, vooral door vervuiling en afgesloten wateren, kunnen steeds minder palingen naar de Saragossa Zee trekken om te paaien. Bovendien wordt de glasaal in China opgelegd en zodoende als een ware delicatese beschouwd. Dit alles maakt dat deze vis in aantal steeds jaar na jaar verminderd in aantal. De glasaal die toch in onze wateren komt groeit uit tot de zogenaamde schieraal waarna hij (in niet afgesloten water) de paaitocht zal beginnen. In afgesloten water kan deze vis enorm groot worden, meer dan een meter en enkele kg zwaar. Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten, visjes en tijdens de paaitijd van andere vissen visbroed. tijdens deze paartijd vind je hem dan ook dikwijls in de oeverzone terug. Het is een lekkere veel gegeten vis. Veel clubs zetten dan ook paling uit op hun vijver.

brasem (abramis brama)De meest populaire wedstrijdvis. Veelal uitgezet om bij wedstrijden het aantal kilo's in het net te vergroten. Komt voor in bijna alle wateren ondanks dat deze vis niet zo sterk is en veelal bij mindere waterkwaliteit als eerste ligt te happen naar zuurstof. De meeste brasem in onze wateren is uitgezette vis, gevangen op meren en grote plassen in Nederland. De paartijd ligt meestal rond de maand mei en tijdens deze periode hebben brasems de zogenaamde paaiuitslag. De brasem zet haar eitjes af rond waterplanten, maar bij afwezigheid van deze voldoen obstakels en stenen evengoed. Reeds enkele dagen later vormen de larven scholen in ondiep water. Het voedsel van brasem

bestaat voornamelijk uit waterdiertjes zoals muggelarven, waterkokers, slakken en andere insecten. Bij een laag voedselaanbod kan hij probleemloos overschakelen tot opname van bv. algen en ander plantaardig leven. Bovendien kan hij door zijn fijne kieuwen makkelijk watervlooien en andere kleine diertjes verorberen.De groei is sterk afhankelijk van het watertype en visbestand. Bij een groot brasembestand en weinig voedsel is het groeiproces zeer traag, terwijl in waters met een gering bestand en veel voedsel hij zeer vlug groeit. Bij een goede groei zijn ze na een tiental jaar zo een 50cm groot. Er zijn reeds brasems van meer dan 70cm gevangen. Bij ons is deze vis van weinig commercieel belang. In Nederland is brasem een consumptievis

 

karper(cyprinus carpio)

Karper is een van de meest belaagde vissen in de hengelsport. In iedere hengelsportzaak staan massa's potjes, flesjes, mixen, enz. voor vriend karper. Geen enkele hengeldiscipline is zo vooruitstrevend, geen enkele hengelsporttak kent zo veel ontwikkeling als het karpervissen. Bijkomend is de karpervisserij het voorbeeld voor veel andere takken binnen onze sport. Karper komt voor in bijna alle wateren en is tevens een van de sterkere vissen. Door de Romeinen ingevoerd vanuit China en andere oosterse landen werd hij later, in de 14e eeuw, door monniken tot in de lage landen uitgezet. Karper was in die tijden een belangrijk voedingsmiddel. Door de jaren heen ontstonden er diverse soorten zoals de spiegelkarper, rijenkarper, schubkarper enz. De paaitijd speelt zich af rond de maanden mei en juni. Dit schouwspel van rollen en liefkozen kan men dan ook in deze periode bewonderen.Vooral modderige bodem met een lichte vegetatie hebben de voorkeur, maar het kan evengoed tegen een staketsel of ander obstakel zijn. Bij voldoende hoge watertemperatuur komen de eitjes reeds na enkele dagen uit. Het voedsel bestaat voornamelijk uit op de bodem levende waterdieren zoals kreeftachtigen, weekdieren maar ook insecten. Karper en karperachtigen beschikken over een hoornplaat en keeltanden waardoor ze hard aas makkelijk kunnen breken (zoetwatermosselen, boilies, )                                                                                                                            keeltanden bij karper

Dat de karper een echte omnivoor (alleseter) is blijkt uit het feit dat ook waterplanten en ander plantaardig voedsel zoals zaden op het menu staan. Wat de groei betreft is de karper een van de snelst groeiende vissen, toch voor de genetisch gemanipuleerde karpers. In grote meren,      denk maar aan Frankrijk, kunnen deze vissen zeer zwaar worden met gewicht van meer dan dertig kg. Reeds na een jaar zijn ze zo een 10 à 12cm groot. De wilde, zeg maar oervorm, van de karper die je vandaag bijna niet meer vindt, wordt zelden zwaarder dan een vijf kg. In landen zoals Duitsland, Hongarije, enz. staat deze vis soms op de menukaart. 

 

 

giebel (carassius auratus gibelio) De giebel wordt de laatste jaren veelal uitgezet in wedstrijdwateren. Het is een sterke vis die net zoals de paling in wateren van slechte tot zeer slechte kwaliteit kan overleven. Je vindt de giebel zowel in stilstaand als in stromend water. Algemeen wordt aangenomen dat de goudvis een veredelde vorm is van de giebel. Reeds na het tweede levensjaar is de giebel geslachtsrijp. De paaitijd valt niet zoals de meeste vissen in de periode rond mei maar meermaals per jaar. De giebel heeft tevens een verwonderlijke manier van paaien. Indien een tekort aan mannetjesvissen nestelen de paairijpe vrouwtjes zich tussen andere kwekende karpersoorten waarbij hun eitjes als het ware geprikkeld worden door het mannelijk zaad. Er is echter geen bevruchting, maar de eitjes ontwikkelen zich wel tot giebels. Deze giebels zijn dan, hoe raar ook, identiek aan de moedervis. Echte klonen dus. Dit alles zonder hulp van een of andere proffesor. Wat de voedingswijze aangaat is de giebel, net zoals een karper, een alleseter. Zowel dierlijk als plantaardig voedsel worden verorberd. De giebel is een snelgroeiende vis die reeds na twee jaar een lengte van 20cm kan hebben. Hij wordt zelden zwaarder dan 2kg.

 

Pos(gymnocephalus cernuus)De pos is een algemeen voorkomende soort. Zowel in plassen, meren, rivieren en kanalen komt deze vis soms massaal voor. Voor veel wedstrijdvissers is dit soms een plaag. Het is een bodemvis die aldaar ook naar zijn voedsel zoekt en vooral tijdens de dag actief is. De paaitijd valt in de maanden april, mei en juni. Tijdens deze periode trekt de pos in grote scholen naar zuurstofrijk ondiep water. De eitjes worden afgezet op stenen of obstakels. Eens ze uitgekomen zijn zijn de larven nog niet zelfstandig genoeg en blijven ongeveer een week op de bodem liggen. Na deze week beginnen ze zelfstandig te zwemmen en voedsel op te nemen. Dit is in eerste instantie zoöplankton. Later voedt de pos zich met vlokkreeftjes, muggelarven, slakjes en wormen. Na een jaar bereiken ze de lengte van ongeveer 6 cm. In het tweede of derde jaar zijn ze geslachtsrijp. Maximale lengte is ongeveer 20 cm bij een gewicht van ongeveer 150 gr. Pos wordt niet ouder dan 12 jaar.

 

 

snoek(esox lucius) De predator van het water, de snoek, vind je vooral in stilstaand en lanzaam stromend water. Deze vis houdt van waterplanten en oeverbegroeiing waar hij zich graag schuilt. (vandaar de camouflagekleuren) Grotere exemplaren verschuilen zich ook wel bij obstakels. De paaitijd vindt plaats van maart tot eind mei. De eitjes worden in zeer ondiep water tussen overgebleven oevervegetatie, rietkragen en ander gewas afgezet. Vooral voor het jonge broed is deze vegetatie van belang wegens kannibalisme door grotere soortgenoten. Eens hij voldoende groot is, zo'n 55cm, vervalt dit gevaar. Hij heeft dan ook geen begroeiïng meer nodig maar vertoeft er toch graag verborgen om eventuele prooien te vangen. De zeer jonge visjes leven voornamelijk van kreeftachtigen en watervlooien. Bij een lengte van ongeveer 10cm schakelen ze over op het eten van visjes en gewervelde dieren zoals kikkers. de snoek is een zeer snelle groeier. Na een jaar kan hij al een gemiddelde lengte bereiken van zo een 25cm. Geslachtsrijp zijn ze bij ongeveer 30cm voor de mannetjes, de vrouwtjes bij een lengte van ongeveer 40cm. De vrouwtjes worden veel groter dan de mannetjes, tot 1, 30 m, de mannetjes ongeveer 90cm. Hun maximale ouderdom is ongeveer 25 jaar. Snoek is tevens een van de meest belaagde roofvissen, getuige daarvan de massa's kunstaas in de vele hengelsportzaken. Staat eveneens soms op het menu.

 

baars(Perca Fluviatilis) Baars is een vissoort die in stilstaand en lanzaam stromend water voorkomt. Ze leven en jagen in scholen die toch wel omvangrijk kunnen zijn. Hieruit blijkt ook zijn voorkeur voor open water zoals meren, rivieren en kanalen. Het is een vis die houdt van helder water omdat hij bij de jacht vooral gezichtsvermogen gebruikt. Jonge baarzen houden zich vooral op in de oeverzone tussen de planten. De oudere en grotere vissen zoeken vooral het wijde water op. De paaitijd vindt plaats in de maanden april en mei. Tijdens deze periode zoekt de baars vooral de maast ondiepe plaatsen op zoals ondergelopen oevers enzo.De eitjes worden in snoeren op de vegetatie, stenen of gewoon op de bodem afgezet.Jonge baars leeft vooral van dierlijk plankton. Zodra hij een lengte heeft van 10 cm veranderd het aasgedrag en staan vooral visbroed en kleine kreeftachtigen op het menu.Na een jaar bereikt hij een mximale lengte van 8cm. Geslachtsrijp zijn ze bij een lengte van 16cm voor de mannetjes en 20cm voor de vrouwtjes. Maximale lengte ligt om en bij 50cm.

 

ruisvoorn(Scardinius erythrophthalmus) Ook wel rietvoorn of in de volksmond rozenbliek genoemd komt van nature voor in onze contreiën. Kenmerkend voor deze vis zijn de rode vinnen die naarmate de vis ouder wordt steeds roder kleuren. De vis wordt normaal niet groter dan een 40 cm, toch zijn al regelmatig grotere exemplaren gevangen. De rugkant kleurt van donkergroen naar zelfs bronsachtig, dit vooral naargelang de leefomstandigheden. Sommigen verwarren deze vis met blankvoorn evenwel er enkele verschillen zijn. Bij de ruisvoorn is de bek bovenstandig, bij blankvoorn eindstandig. De blankvoorn heeft een oranje-rode vlek boven de pupil, ruisvoorn niet. Ook is de rugvin bij ruisvoorn meer achteraan geplaatst. Ook verwarren met een winde is mogelijk, maar de winde heeft een eindstandige bek en heeft veel meer schubben op de zijlijn. 55-61 ten opzichte van 40 à 43 voor de ruisvoorn. Bovendien zijn er heel wat hybriden, kruisingen tussen ruisvoorn en blankvoorn, ruisvoorn en winde, die het niet altijd makkelijk maken de vis te herkennen. De ruisvoorn houdt van plantenrijk water waar hij vooral in scholen aan de oppervlakte vertoeft. De paaitijd loopt van april tot juli.

 

zeelt(tinca tinca) één van de mooiste en misschien meest mysterieuze vissoort voorkomend in onze wateren. In de volksmond noemt men hem dikwijls de dokter van een vijver. Het is naast paling dan ook één van de sterkste vissen in onze biotopen. Hij houdt van plantenrijk water met slibberige bodems. De zeelt heeft heel kleine schubben onder een zeer stevige slijmlaag, die slijmlaag zou volgens sommigen geneeskrachtig zijn zodanig dat men hem regelmatig bijzet in vijvers met koi's. De kleur gaat van donkerolijfgroen tot bruin-bronzig. Hij is makkelijk herkaanbaar door het rode iris in zijn oog. Ook het verschil tussen een mannetje en wijfje kan je makkelijk zien. De mannetjes hebben namelijk een veel grotere buikvin die tot voorbij de aars loopt. Deze vis wordt maximum zo een 70cm groot. Zeelt paait in de maanden mei en juni waarbij het vrouwtje meer dan 300.000 eitjes afzet tussen de noodzakelijke vegetatie. In periodes van koude of bv. zuurstofgebrek kan deze vis zichzelf in een soort van comateuze toestand brengen waardoor zijn stofwisseling op een laag pitje staat en hij of zij aldus minder voedsel en zuurstof nodig heeft. Het voedsel bestaat vooral uit insectenlarven, kreeftachtigen en plantedelen.